Kardinaal Van Roey
In den dienst van de kerk
Mgr Van Roey komt uit ons eigen midden, uit een eenvoudige, diep gelovige boerenfamilie van Stanislas Van Roey en Anna-Maria Bartholomeus, voor wie het een eer was om een zoon als priester te hebben en een dochter als kloosterzuster. In de familie Van Roey was er traditioneel een brede waaier van geestelijken.
Als knap student kaapte hij verschillende prijzen weg, waaronder een eerste prijs in de Franse taal. Die onderscheiding wekte veel belangstelling in de Kempen van toen. Ondanks de prijzen en de lofbetuigingen, die hij kreeg tijdens zijn collegejaren, bleef Ernest Van Roey bescheiden, zwijgzaam en enigszins terughoudend. Toch stond hij bij zijn medeleerlingen in hoog aanzien omwille van zijn schranderheid, zijn "gouden hart" en hulpvaardigheid. Die trend zette zich voort tijdens zijn seminariejaren. Hij behaalde de gouden medaille van wijsbegeerte in 1894, toen hij in het Grootseminarie van Mechelen studeerde. Later behaalde hij aan de universiteit van Leuven in 1903 de graad van doctor en magister in de godgeleerdheid met zijn thesis "de justo auctario" (de rechtvaardige intrest). Het begrip "rechtvaardigheid" liet hem niet los, hij schreef daarover tal van verhandelingen. Hij was ook tot in 1925 hoogleraar moraaltheologie en dogmatiek in het Amerikaans college van de universiteit te Leuven.
Kardinaal Mercier merkte zijn uitzonderlijke wijsheid op en riep hem naar Mechelen, waar hij hem de taak van Groot Vicaris toeschoof. Hij was toen 33 jaar! In die functie nam hij uitgebreid deel aan het bestuur van het aartsbisdom. Alle priesters en pastoors kwamen bij hem terecht met hun vragen en problemen. Hij beantwoordde hun vragen en grieven in klare taal en zonder franjes.
Ernest Van Roey schreef een opmerkelijk verslag over de genezing van een Belgische kloosterzuster door de bescherming van de Heilige Theresia van Lisieux. Door dat verslag werd hij door de paus opgemerkt en in 1925 ontbood hij hem naar Rome. De paus benoemde hem tot Apostolisch protonotarius, feitelijk de hoogste titel na die van bisschop. Kort daarna, op 12 maart 1926, volgde hij kardinaal Mercier op als 17e aartsbisschop van Mechelen en primaat van België.
Hij had de zonderlinge gave zich in discussies ogenschijnlijk afzijdig te houden maar aandachtig te luisteren. Wanneer tenslotte zijn mening gevraagd werd, ontrafelde hij kalm maar kristalhelder het probleem en formuleerde in begrijpbare taal zijn mening, die dan doorgaans leidde tot de oplossing. Zijn beslissingen van toen blijven nog tot op heden van kracht.
Toen hij aantrad als primaat was het geloof in diepe crisis. Door het oprichten van het wetenschappelijk tijdschrift "Ons Geloof" slaagde hij er in om veel dwalingen en misverstanden binnen de clerus op te ruimen.
Zijn rol tijdens WO II is niet te onderschatten. Hij verzette zich krachtig en met enig succes tegen de dwangmaatregelen van de bezetter. Net als zijn voorganger, Kardinaal Mercier in 1914 – 18 had gedaan, kon hij de Duitse bezetter in zekere zin wel beïnvloeden.
Zijn beleid werd gekenmerkt door baanbrekende geschriften, die later onder de titel ‘In den dienst van de Kerk’ verschenen. Dat waren de teksten van al zijn toespraken en kerkelijke brieven. Het laatste van de acht delen verscheen in 1949 en die werken bleven tot op heden een inspiratiebron voor de clerus. Niet te onderschatten is ook zijn invloed geweest bij de bouw van nieuwe kerken.
Zijn hele beleid werd gekenmerkt door een niet aflatende belangstelling voor werken, die de liefdadigheid en volksverheffing tot doel hadden, zoals hogeschooluitbreiding, drankbestrijding, jeugdopleiding en hulp aan kinderen in door oorlog of burgeroorlog getroffen landen.
Enkele belangrijke data
1894 Bij het behalen van de gouden eremedaille van filosofie in Mechelen vierde Vorselaar voor de eerste maal met praalbogen, vlaggen en schriften.
1897 Vorselaar was trots op zijn doctor in godgeleerdheid.
Heel het dorp was op de been om samen te vieren.
1903 De nieuwe priester droeg zijn eremis op in de parochiekerk.
1926 Met een prachtige stoet van tientallen groepen begroette Vorselaar zijn nieuwe Aartsbisschop.
1927 De nieuwe Aartsbisschop werd Kardinaal. Bij deze gelegenheid werd op het marktplein het Heilig Hartbeeld ingewijd, een geschenk aan de Vorselaarse bevolking.
1947 Vorselaar mocht zijn roemrijke zoon huldigen ter gelegenheid van zijn vijftigjarige priesterschap. Uit dankbaarheid schonk de Kardinaal een grote klok (kerk) en het bronzen kruisbeeld van Georges Minne (kerkhof).
1951 Vorselaar en de ganse Kempen vierden het zilveren bisschopsjubileum van hun grootste zoon. Het marktplein werd door kunstenaar E.H. Lens omgetoverd tot een nooit gezien decor.
1957 In dit jaar mocht de reeds hoogbejaarde Kardinaal zich verheugen om 60 jaar priesterschap en 30 jaar Kardinaal te vieren. Op zijn uitdrukkelijk verzoek werd er geen viering meer georganiseerd.
1961 Op zondagmorgen 6 augustus bereikte Vorselaar het droevige bericht dat haar roemrijkste zoon was overleden.
Bekijk tentoonstelling





