Anton Bergmann, de 19de eeuwse Lierse schrijver
Toen Anton Bergmann in 1835 geboren werd, was Lier een provinciestadje van dertienduizend inwoners. Hij was de eerste zoon van George K.L. Bergmann en Joanna Giese. Daarna volgden nog George, Maria en Ernest.
Hij liep lagere school – de “Oordjesschool” op het begijnhof - in zijn geboortestad en volgde er ook de lagere Latijnse klassen aan het Lierse stadscollege op de Mosdijk. In 1849 nam hij plaats op de banken van het stedelijk atheneum te Gent. Reeds toen ontpopte hij zich als een groot liefhebber van de Nederlandse letteren. Samen met onder andere Julius Vuylsteke maakte hij deel uit van het romantisch-flamingant taal minnend Studentengenootschap "t Zal wel gaan", een vereniging die de beoefening van de Nederlandse literatuur en de verdediging van onze taal tot doel had.
Na zijn humaniora werd hij in 1853 als student aan de universiteit van Gent ingeschreven. Hij legde er de kandidaatsexamens af in de letteren en wijsbegeerte, de rechten en het notariaat. Daarna volgde hij de cursussen aan de Université Libre van Brussel waar hij in 1858 promoveerde tot doctor in de rechten. Dit alles weerhield hem er niet van zich ook op literair en historisch vlak verdienstelijk te maken. Zo schreef hij in die periode onder andere de studie "Philips van Marnix van Sint Aldegonde, plundering der hoofdkerk van Lier".
In 1858 vestigde hij zich als advocaat te Lier. Hij trad in het huwelijk met Elisa Van Acker, de dochter van een rijke notaris uit Lier. Een jaar na het huwelijk werd hun enige dochter Elisabeth (Lisette) geboren en het gezin vestigde zich in het huis “De Sevensterre”, van en naast dat van zijn vader, “ De Gulden Leeuw” aan de Grote Markt. Als uitstekend jurist en rechtschapen man won hij de sympathie van zijn confraters en het vertrouwen van zijn medeburgers. Zijn drukke praktijk nam heel wat tijd in beslag en vergde veel van zijn niet zo sterk gestel. Ondanks die professionele bezigheden besteedde hij nog ettelijke uren aan de letterkunde en geschiedkundige opzoekingen. In 1870 publiceerde hij zijn twee "Rijnlandsche novellen", waarin zijn humor en geestige opmerkingsgave tot uiting kwamen. In 1873 volgde zijn "Geschiedenis der stad Lier", waaraan hij een goed decennium had gewerkt. Ondertussen leed hij al aan een slepende ziekte waaraan hij veel te vroeg zal overlijden. Zijn gezondheidstoestand beterde niet terwijl hij aan zijn hoofdwerk "Ernest Staas" werkte. Toen dit werk verscheen - het werd gepubliceerd onder de schuilnaam "Tony" - werd het in Noord en Zuid zeer gunstig onthaald. Ook zijn Nederlandse vriend Nicolaas Beets (alias voor Hildebrand), voor wie Anton Bergmann een grote bewondering had, was vol lof. De brief waarmee de lofbetuigingen werden overgemaakt, kreeg hij echter niet meer te lezen. Hij lag op sterven.
Anton Bergmann stierf te Lier op 21 januari 1874 op achtendertigjarige leeftijd.
Gedurende zijn kort leven was de liberale flamingant Bergmann een actief deelnemer aan de Nederlandse Taalcongressen en lid van talrijke verenigingen waaronder het Willemsfonds. Hij is het die de eerste grondslag heeft gelegd voor de latere uitbouw van Lier tot Vlaamse stad, tot kunststad. Hij stichtte het liberale weekblad "De Lierenaar" in 1857. Twee jaar later verscheen het eerste nummer van de “Gazet van Lier”, een blad dat expliciet was opgericht tegen de invloed van “De Lierenaar” en een klerikaal partijorgaan was, fel antiliberaal. Bij Koninklijk Besluit van 31 december werd aan Anton Bergmann de vijfjaarlijkse prijs voor Nederlandse Letterkunde voor het tijdvak 1870-1874 toegewezen.
Bekijk tentoonstelling





